Voor 1665

SOLDATEN VAN DE ZEE

VOOR 1665

SCHEEPSSOLDATEN De “scheepssoldaten”, zoals vroeger de benaming voor de mariniers luidde, zijn altijd nauw verbonden geweest met de maritieme oorlogvoering. Het is moeilijk een nauwkeurige definitie van het begrip “scheepssoldaat” te formuleren, omdat zowel de wijze van oorlog voeren als de manier waarop men van de scheepssoldaten gebruik maakte in de loop der eeuwen veranderde. Toch is er één aspect als een rode draad met hun geschiedenis verweven: het water, de zee.

ENTEREN! Vanaf de oudheid, in de tijd van de Grieken en Romeinen, waren de scheepssoldaten voornamelijk bedoeld als soldaten aan boord van schepen, speciaal opgeleid voor het nabij- en entergevecht. In de eeuwen daarna maakten vrijwel alle zeevarende naties (stammen) gebruik van zeesoldaten, in welke vorm dan ook. In het begin waren de zeesoldaten zelf het belangrijkste wapen aan boord van een oorlogsschip, maar spoedig kregen de schepen zelf wapens of wapensystemen aan boord. Zeesoldaten werden toen vooral ingezet om andere schepen te enteren of vanaf schepen met handwapens de tegenstander te bestrijden.

WATERGEUZEN: MOORDEN, PLUNDEREN, VERKRACHTEN Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje in de late Middeleeuwen brachten de “Watergeuzen” de Spaanse strijdmacht flinke verliezen toe. Ze waren zonder enige twijfel het bewijs dat de inzet van zeesoldaten heel belangrijk was voor het verloop van de slagen. Toch worden de Watergeuzen niet als de voorvaderen van de mariniers beschouwd. Dat lag niet zozeer aan hun rol en inzet als zeesoldaten, maar meer aan het feit dat ze zich schuldig maakten aan moord, plundering en verkrachting. Er was dus nog niet echt te spreken van een gedisciplineerd zeeleger.


In de late Middeleeuwen, tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje (1568-1648), kwamen de Watergeuzen in beeld. Het gewest Holland was toen nog trouw aan de Spaanse koning. Een groep opstandige edelen met privélegers besloten daartegen zelf een vloot te vormen en zich aan te sluiten bij Willem van Oranje, in zijn strijd tegen de Spanjaarden. Willem van Oranje gaf “kapersbrieven” uit aan de Watergeuzen, wat ze de vrijheid gaf om de Hollandse koopvaardijschepen te kapen en plunderen. De Spaanse landvoogd Alva organiseerde als reactie daarop een Spaans-Hollandse vloot om de Watergeuzen te bestrijden. De Watergeuzen brachten de Spaanse strijdmacht echter flinke verliezen toe. Ze waren voor Willem van Oranje dan ook van essentieel belang gebleken bij de opstand tegen het machtige Spanje. De Watergeuzen waren bovendien zonder enige twijfel het bewijs dat de inzet van zeesoldaten – die de Watergeuzen rijkelijk gebruikten – heel belangrijk was voor het verloop van de slagen.

Desondanks worden de Watergeuzen niet als de eerste werkelijke Hollandse zeesoldaten beschouwd, althans niet als de voorvaderen van de mariniers. Dat lag niet zozeer aan hun rol en inzet als zeesoldaten, maar meer aan het feit dat ze zich schuldig maakten aan moord, plundering en verkrachting. Er was dus nog niet echt te spreken van een gedisciplineerd zeeleger. Juist door dit gedrag daalden de zeesoldaten in achting. Daarnaast ging ook de kwaliteit van de marineschepen als gevechtsmiddel steeds vooruit, met meer en grotere kanonnen, waardoor het belang van de zeesoldaat minder werd.


CORPS DE MARINE Toen men in 1664 een nieuwe grote oorlog met de Engelsen voorzag, werd bepaald dat het landleger werd uitgebreid. Van die uitbreiding werden enkele duizenden manschappen aangemerkt als het “Corps de Marine”. Een misleidende term, want in de praktijk bleven de circa 4000 aangewezen zeesoldaten administratief onder de infanterie vallen.